Voorwoord

In Mei 1953 vertrok ik voor 3 jaar naar het toenmalig Nederlands Nieuw Guinea, in tijdelijke
dienst van het Goevernement, om als "Veeteeltkundig Ambtenaar bij de Afdeling Landbouw
en Veeteelt van de Dienst Economische en Technische Aangelegenheden (DETA), mee te
helpen aan "de verdere opbouw "van dat land; ik was 25jaar,vrijgezel en ik had enkele jaren
gewerkt bij de Provinciale Gezondsdienst (PGD) In Alkmaar.
Gedurende mijn studie aan de Middelbare Landbouwschool te Groningen,( thans het Hoger
Agrarisch onderwijs), ging mijn interesse reeds speciaal uit naar die vakken, die verband
hielden met dieren, zoals: Veeteelt, Veevoeding, Dierziekten, enz.; ook hield ik er voorzichtig
rekening mee, dat ik na deze opleiding, misschien nog zou kunnen doorstuderen aan de
Veterinaire Faculteit van de Universiteit te Utrecht. Dit laatste werd niet gerealiseerd, omdat
ik na mijn studie in Groningen, als dienstplichtige, werd opgeroepen voor de militaire dienst.
Na deze dienstperiode, had ik op 22 jarige leeftijd, geen moed en geen zin meer om -ondanks .
de medewerking van mijn ouders-nog eens 5 a 6 jaar in Utrecht te gaan studeren.
Via de PGD., alwaar ik als buitendienst medewerker, enkele jaren heb meegeholpen om de
rundveestapel in Nrd Holland in versneld tempo vrij te maken van Tuberculose - en Abortus
Bang infectie, (gefinancierd door de Marshalhulp !), kwam ik in kontakt met de directie van
een zeer groot rundveebedrijf in Brits Colombia; dit bedrijf zocht met spoed een Nederlandse
specialist op het gebied van kunstmatige inseminatie (KI), om door middel van deze techniek,
de door natuurlijke dekking veroorzaakte besmettelijke ziekte abortus (Vibrio Foetus), te
bestrijden. Ik kreeg een aanbeveling van de Directeur van de PGD., echter, de enkele
aanvullingen en wijzigingen,die ik in het conceptcontrakt wilde aanbrengen op advies van een
door mij geraadpleegde ambtenaar op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, werden door
Colombia niet gehonoreerd. Dit was mijn eerste maatschappelijke teleurstelling en ik zocht
danook meteen naar andere mogelijkheden om voor enkele jaren te worden uitgezonden naar
het buitenland. (eventueel emigratie)In januari 1953 las ik in een agrarisch vakblad een
advertentie: een groot Australisch schapenbedrijf zocht voor haar vestiging op het
Australisch deel van Nw.Guinea, een Hollandse bedrijfsleider voor een periode van 3 jaar.
Wederom wendde ik mij tot "Den Haag "om advies, dit keer bij het Ministerie van Overzeese
Rijksdelen (Minvor). Zij vroegen zich verbaasd af waarom ik interesse toonde voor het
Australisch gedeelte van Nw.Guinea en zij boden mij tijdens dit bezoek een kontakt aan voor
een zg."kortverband"uitzending van 3 jaar naar Nederlands Nieuw Guinea., in de positie van
"Veeteeltkundig ambtenaar". Enige weken na dit bezoek aan het Minvor, tekende ik het
kontrakt. Begin 1953 vertrok ik dus als "groentje" naar dit "rijksdeel", verwachtingsvol en op
het laatste moment verliefd geworden !
De laatste woorden van mijn moeder bij het afscheid op Schiphol waren: "Zul je goed op
jezelf passen en goed zijn voor de zwartjes?" Nu, 47 jaren later, heb ik de brieven die ik
bijna wekelijks aan mijn ouders en aan Atie heb geschreven, gerangschikt en als een soort
"dagboek"op mijn PC uitgetypt. Er is in de tekst en schrijfwijze niets veranderd; ik hoop dat
mijn zoons, Pieter,Bart en Maarten, evenals hun kinderen, deze gebundelde brieven als een
soort spannend jongensboek lezen, om zodoende een nog vollediger beeld te krijgen van hun
vader en opa. Na de dood van mijn eigen vader, ben ik mij door de jaren heen, meer en meer
bewust geworden hoe weinig ik heb geweten van zijn jeugd; dit gaf mij mede de inspiratie tot
de bundeling van deze brieven en fotoos .
In 1962 werd Nw.Guinea "overgedragen"aan Indonesie en werd het "koloniale tijdperk" van
Nederland, definitief afgesloten. Mijn 3 jarig verblijf op Nw Guinea, heeft hopelijk een beetje
mogen bijdragen aan de ontwikkelingen van dit mooie land, waaraan ik mijn hart blijvend heb
verloren.
Loosdrecht 19 januari 2000